Dit artikel werd geschreven door

 

Waar komt dit nieuws vandaan?

Aan de Universiteit Antwerpen zijn tal van experts nauw betrokken bij het onderzoek naar de corona-epidemie in ons land. Ze verzamelden bloedstalen van meer dan 3.600 Belgen van alle leeftijden, die voor gelijk welke klacht naar de dokter gingen, dus niet enkel voor hoesten of andere verdachte symptomen. Deze bloedstalen werden anoniem getest op aanwezigheid van antistoffen tegen het coronavirus (1).

Omdat antistoffen pas 2 weken na besmetting in het bloed verschijnen en de bloedafnames ongeveer 3 weken geleden gebeurden, zeggen de resultaten iets over de toestand in België zo’n 5 weken geleden, dit betekent vlak voor de lockdown-maatregelen ingang vonden. Op dat moment bleek slechts 3% van de Belgen antistoffen te hebben tegen het coronavirus. Dat betekent dat het virus toen nog amper was doorgedrongen in België en ook dat het zich traag verspreidt in de bevolking.

Het virus wordt vooral verspreid door besmette personen via hoesten en niezen, op korte afstand van elkaar. Wie antistoffen heeft, kan normaal gezien niet meer besmet worden. Hoe meer mensen antistoffen hebben, hoe moeilijker het wordt voor het virus om veel mensen te besmetten. Zodra zo’n 50 tot 70% van de bevolking antistoffen heeft, dooft de epidemie op natuurlijke wijze uit. Daar zijn we dus nog lang niet.

De onderzoekers van Universiteit Antwerpen besluiten dat het onwaarschijnlijk is om op een natuurlijke manier voldoende groepsimmuniteit op te bouwen, en tegelijkertijd het aantal slachtoffers te beperken. We moeten dus wachten op een vaccin dat deze groepsimmuniteit in een kortere tijdsspanne kunstmatig tot stand kan brengen.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De studie zegt iets over de toestand in de eerste helft van maart. Omdat het aantal besmettingen tot midden april toenam, kunnen we veronderstellen dat het werkelijke percentage immune personen ondertussen hoger is. Als gevolg van de lockdown-maatregelen werd de verspreiding echter wel beperkt, en zijn we erin geslaagd om de curve af te vlakken (flatten the curve), wat betekent dat het huidige percentage niet veel hoger zal zijn. Een andere mogelijke beperking is dat de tests voor het opsporen van antistoffen niet gevoelig genoeg zijn, waardoor het cijfer zo laag is, maar ook dit zal geen groot verschil geven.

Het lage percentage mensen in België met antistoffen tegen het coronavirus is vergelijkbaar met cijfers uit de meeste landen. Uit onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (20 april) blijkt dat de immuniteit in de meeste landen rond 2 tot 3% ligt. In Nederland bijvoorbeeld blijkt ook slechts 3% van de bloedgevers in contact te zijn geweest met het coronavirus (2).

Dit lage cijfer bevestigt dat een versoepeling van de lockdown-maatregelen het best voorzichtig en stapsgewijs gebeurt. De kans is groot dat een te plotse terugkeer naar het leven zoals voorheen leidt tot een heropflakkering van het aantal coronabesmettingen, met opnieuw een oplopend dodental en een risico op overbelasting van de ziekenhuiscapaciteit.

Omdat het nog vele jaren kan duren vooraleer we op een voorzichtige, natuurlijke wijze – dat betekent met de nodige voorzorgsmaatregelen – voldoende groepsimmuniteit hebben opgebouwd, en omdat dit om economische redenen niet wenselijk is, lijkt de enige kans op een ‘exit’ de ontwikkeling van een vaccin. Vaccinatie is de best denkbare manier om de coronapandemie sneller de kop in te drukken door het opwekken van groepsimmuniteit.

Conclusie

Uit onderzoek van de Universiteit Antwerpen blijkt dat slechts 3% van ruim 3.600 willekeurig geteste Belgen antistoffen heeft tegen het coronavirus. Om de verspreiding van het virus de kop in te drukken, moet 50 tot 70% van de bevolking antistoffen hebben. De natuurlijke opbouw van voldoende groepsimmuniteit kan dus nog jaren duren. Omdat het niet realistisch is om de lockdown-maatregelen zo lang vol te houden, is alle hoop gericht op de ontwikkeling van een vaccin dat de groepsimmuniteit versneld kan opbouwen.