Geen tijd om te lezen?
Dit zijn onze conclusies!


  • De overheid mag maatregelen nemen om onze gezondheid te beschermen.
  • De maatregelen moeten noodzakelijk en proportioneel zijn en moeten een concrete wettelijke basis hebben. De juridische discussies gaan vooral over de proportionaliteit en de wettelijke basis.
  • Begin juni oordeelde de rechter dat de coronamaatregelen wél een wettelijke basis hebben.
  • De nieuwe pandemiewet moet in de toekomst een einde maken aan de discussies over de wettelijke basis.

De rechter had de coronamaatregelen toch veroordeeld?

Om aan te tonen dat de coronamaatregelen illegaal zijn, verwijzen tegenstanders van het beleid vaak naar uitspraken van rechters die oordelen dat er geen wettelijke basis is voor bepaalde maatregelen. Er zijn inderdaad rechtszaken geweest over de toelaatbaarheid van coronamaatregelen, dat klopt. Maar waar gingen die zaken juist over?

De procedures gaan niet over “of” maar over “hoe”

De Belgische overheid mag wel degelijk beperkingen opleggen om inwoners te beschermen tegen ziektes en pandemieën zoals COVID-19. Sterker nog, zij moet dat doen om onze mensenrechten te beschermen. De mensenrechtenverdragen verplichten landen namelijk om het recht op leven en gezondheid van burgers te garanderen. Dat staat ook expliciet in de Belgische Grondwet. Om die verplichtingen na te leven, legt onze regering de soms omstreden coronamaatregelen op.

Mensenrechtenverdragen beschermen ons wel degelijk tegen willekeur.

Maar een overheid mag uiteraard ook niet zomaar drastische beperkingen opleggen. Ook tegen willekeurige maatregelen beschermen de mensenrechtenverdragen ons. Landen mogen enkel beperkingen van onze rechten en vrijheden opleggen als ze echt nodig zijn, in verhouding staan tot de risico’s en als ze gebaseerd zijn op wetten die ons parlement heeft aanvaard. De procedures over de coronamaatregelen gaan dan ook niet over de vraag óf de overheid beperkende maatregelen mag opleggen, maar wel over de proportionaliteit en de wettelijke basis van die maatregelen.

De maatregel moet noodzakelijk en proportioneel zijn

De grondwettigheid van de coronamaatregelen an sich staat volgens de Raad van State dus niet ter discussie. Wat wél ter discussie staat, is de noodzaak en de proportionaliteit van de verschillende maatregelen. De overheid mag enkel beperkingen aan onze grondrechten opleggen die een “legitiem” doel nastreven, in dit geval de bescherming van het recht op leven en de gezondheid van burgers. Dat is uiteraard een “legitiem”doel.

Rechter oordeelt over proportionaliteit

De overheid mag niet verder gaan dan nodig is om dat legitieme doel te bereiken. De maatregelen moeten “proportioneel” zijn, zoals dat dan heet. En ook daar zijn de afgelopen maanden uitspraken over geweest van rechtscolleges. Zo oordeelde de Raad van State in december dat het volledig verbod op erediensten van de overheid te ver ging. Daarop liet de regering erediensten weer toe, weliswaar in beperkte vorm met onder andere een maximum van 15 aanwezigen. Toen die maatregel ook werd aangevochten door een aantal gelovigen, oordeelde de Raad van State dat de overheid die beperking wél kon opleggen. De overheid mag dus een maximum aantal aanwezigen bij erediensten vastleggen, maar ze helemaal verbieden vond de Raad van State te ver gaan.

Een avondklok is niet ongrondwettelijk

De overheid mag dus bijvoorbeeld een avondklok invoeren, de horeca sluiten en niet-essentiële verplaatsingen verbieden. Toch zorgt dat voor heel wat weerstand. Zo trokken in oktober een aantal burgers naar de Raad van State om de avondklok aan te vechten. De Raad van State verwierp die vordering en oordeelde dat de verzoekers niet konden aantonen dat de avondklok de grondwet schendt of dat er voor de avondklok geen wettelijke grondslag is.

De discussie over de wettelijke basis

Beperkingen zoals de huidige coronamaatregelen zijn alleen maar toegestaan als ze voldoende juridisch onderbouwd zijn. De overheid moet dus zorgen voor een wettelijke basis. En het is die voorwaarde die voor heel wat juridisch getouwtrek zorgde. Op dit moment staan de coronamaatregelen namelijk niet in een wet, maar in ministeriële besluiten waarvoor geen goedkeuring nodig is van de wetgevende macht, van het parlement dus. Om maatregelen te kunnen nemen met zo’n ministerieel besluit, verwees de regering sinds het begin van de pandemie naar de wet civiele veiligheid uit 2007. Die wet was tot stand gekomen na de gasexplosie in Gellingen en laat de regering toe om in acute en tijdelijke noodsituaties, zoals ontploffingen en branden, snel enkele maatregelen te nemen. En daar wringt het schoentje. Volgens verschillende grondwetspecialisten en oppositiepolitici is de wet civiele veiligheid niet geschikt als wettelijke basis om maatregelen te nemen in een langdurige gezondheidscrisis.

De rechter hakt in hoger beroep de knoop door

De Liga voor de Mensenrechten daagde de Belgische overheid uiteindelijk voor de rechter omdat de maatregelen volgens hen niet voldoende op een democratische wijze tot stand waren gekomen. Eind maart gaf de Brusselse kortgedingrechter hen gelijk en oordeelde dat de coronamaatregelen moesten opgenomen worden in een wet. De rechter gaf de Belgische staat een maand de tijd om een nieuwe wet te maken om de coronamaatregelen te onderbouwen. Maar minister van Binnenlandse Zaken, Annelies Verlinden (CD&V), ging in beroep tegen die uitspraak. Begin juni besliste de rechter in hoger beroep dat de maatregelen wél een voldoende wettelijke en dus democratische basis hebben.

De pandemiewet moet soelaas bieden

Toch werkte de minister van Binnenlandse Zaken in afwachting van de uitspraak van de rechter in hoger beroep verder aan de zogenaamde pandemiewet. Die wet moet in de toekomst de wettelijke basis vormen om maatregelen te nemen tijdens een pandemie. De amendementen op de wet kregen op 24 juni een gunstig advies van de Raad van State. Op 30 juni staat een extra plenaire vergadering in de Kamer ingepland om de pandemiewet goed te keuren. De goedkeuring van de wet door het parlement zou alleszins een einde maken aan de discussie over de wettelijke basis van de veelbesproken coronamaatregelen. De coronamaatregelen worden dan nog beter wettelijk onderbouwd, maar juist daardoor zullen ook in de toekomst zeker nog genomen kunnen worden als dat nodig is. Het is dus te kort door de bocht om te zeggen dat bijvoorbeeld een avondklok of het tijdelijk sluiten van de horeca “ongrondwettelijk” is.

Conclusie: het coronabeleid neemt “onze grondwettelijke vrijheden” niet af

Precies het juridische getouwtrek bewijst dat een regering niet zo maar in het wilde weg maatregelen kan nemen. Zij mag op basis van de mensenrechtenverdragen en de grondwet optreden om onze gezondheid te beschermen, zo lang de maatregelen een wettelijke basis hebben en niet verder gaan dan noodzakelijk. Voor de erediensten heeft de regering de maatregelen moeten aanpassen, maar meestal heeft ze uiteindelijk gelijk gekregen. Een pandemiewet, als ze een meerderheid krijgt in het parlement, zal ook in de toekomst coronamaatregelen mogelijk maken. Ook dan zullen rechters waken over de vraag of er geen willekeur is en of alles wel in verhouding staat tot de risico’s. Maar het is niet zo dat de coronamaatregelen zonder meer “ongrondwettelijk” zouden zijn.

 

 
Lees ook...